Campagnetijd
De campagnes zitten er inmiddels op. Het is wachten tot de definitieve telling compleet is, zodat de grootste partij écht de grootste van Nederland is.
Ik reis voor mijn werk zo veel mogelijk met het openbaar vervoer. De ene dag is dat minder leuk dan de andere. Je reist van station naar station. De afgelopen weken ben ik overspoeld met flyers op mijn begin- en eindstations, twee keer per dag. Ik vond het nutteloos; de boodschappen die op de flyers stonden, waren immers alle hoofdpunten van de campagnes. Niets nieuws dus. Wel zonde van al dat papier.
Ik bracht de verkiezingen regelmatig ter sprake in de klas. Veel van mijn studenten mogen immers stemmen — sommigen zelfs voor het eerst.
‘Ik mag voor het eerst stemmen, mevrouw!’ En ‘Ik wil het graag goed doen.’
Tja, wat is dan goed? Dat vind ik in het onderwijs altijd een lastige vraag. Ik mag een beroep uitvoeren waarin ik dagelijks meer dan zeventig studenten voor mijn neus heb. Allemaal zichzelf, allemaal met een andere achtergrond, opvoeding en mening. Dat gesprek voeren blijft uitdagingen met zich meebrengen, maar toch voel ik me altijd vereerd dat ik dat soort gesprekken mag leiden en zo de student verschillende perspectieven kan laten zien.
Toch ben ik blij dat het voorbij is, al die hysterie. Ik ben lang een zwevende stemmer geweest, maar ben uiteindelijk, na de nodige verdieping, op een partij uitgekomen. Woensdagochtend, op de dag van de verkiezingen, kreeg ik de laatste flyer in mijn handen gedrukt op het station. Het was de flyer van de partij waarvan ik had besloten dat die mijn stem zou krijgen. Ik zag het als de laatste bevestiging die ik nodig had. Misschien hadden die flyers meer nut dan ik aan het begin van de campagnetijd dacht.